Taal bij leerlingen met D/SH
Het onderwerp ’taal’ is voor meerdere uitleggen vatbaar. In deze module gaat het dan ook zowel om de taal van de leerlingen waarmee de studenten werken maar het gaat ook over de toegang tot taal, en derhalve over de taal die door leerkrachten gebruikt wordt.
De module start met een bijeenkomst over de normale taalontwikkeling, en de rol van de omgeving bij die taalontwikkeling. Dit biedt studenten een referentiekader en geeft handvatten voor effectief handelen. Hierna wordt aandacht besteed aan de afwijkende taalontwikkeling: hoe zien de leerlijnen op taalgebied eruit voor dove / slechthorende leerlingen. In dit kader wordt ook de ontwikkeling van gebarentaal nader toegelicht. Studenten brengen naar aanleiding van deze bijeenkomsten de ontwikkeling van een geselecteerde leerling uit de doelgroep in kaart, en maken een verbinding met het handelen van de leerkracht. In de volgende bijeenkomst wordt aandacht besteed aan interactief taalonderwijs en de specifieke vaardigheden die daarbij horen. Studenten maken, op basis van opgedane kennis en aan de hand van voorbeelden een eigen observatiekader voor het handelen van een effectieve leerkracht, waarbij positieve punten worden aangegeven maar waarin ook aandacht is voor valkuilen.
In de module ’Taal bij leerlingen met D/SH’ wordt het onderdeel ‘woordenschatonderwijs’, dat als rode draad door het hele curriculum loopt, extra belicht. Ook hierbij wordt steeds de koppeling naar het handelen van de leerkracht gemaakt.
De module wordt afgesloten met een videowerkbijeenkomst, waarin studenten in kleine groepjes opnames van elkaar bekijken, en waarbij zij reflecteren op de getoonde vaardigheden.
Alle bijeenkomsten worden voorafgegaan of gevolgd door specifieke praktijkopdrachten, die leiden tot het eindproduct: een onderbouwd beroeps product.
Voor ambulante begeleiders REC2 die als student deze module volgen bestaat de mogelijkheid de eindopdracht aan te passen. Hoewel zij alle bijeenkomsten volgen, en ook de praktijkopdrachten uitvoeren, zullen zij hun eigen handelen op orthodidactisch gebied vormgeven door het observeren en adviseren van de leerkracht van het door hen geselecteerde kind.





